terug

Alberto Caeiro


Uit de cyclus: De herder verliefd

Toen ik je nog niet had
Hield ik van de natuur zoals een kalme monnik houdt van Christus...
Nu houd ik van de natuur
Zoals een kalme monnik van de Maagd Maria houdt,
Religieus, op mijn manier, als vroeger,
Maar op andere, meer ontroerde en meer nabije wijze.
Ik zie de rivieren beter als ik met jou door de velden ga
Tot aan de oever der rivieren;
Naast jou zittend, kijkend naar de wolken,
Kijk ik beter naar de wolken...
Jij hebt de natuur mij niet ontnomen...
Jij hebt de natuur voor mij in niets veranderd...
Jij hebt de natuur heel dicht bij mij gebracht.
Omdat jij bestaat zie ik haar beter, maar als natuur dezelfde,
Omdat jij mij liefhebt, heb ik haar net zo lief, maar meer,
Omdat jij mij kiest om je te hebben en lief te hebben,
Hebben mijn ogen haar langer aanschouwd
En boven alle dingen.

Ik heb geen spijt van wie ik vroeger was
Omdat ik die nog ben.
Ik heb slechts spijt je vroeger niet te hebben liefgehad.

De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713  terug    naar boven

Uit de cyclus: De herder verliefd

Hoog in de hemel hangt de maan en het is lente.
Ik denk aan jou en voel mij in mijzelf volledig.

Door de vage velden waait een lichte bries tot mij.
Ik denk aan jou, fluister je naam; ik ben niet ik; ik ben gelukkig.

Morgen zul je komen, met mij gaan en bloemen plukken op de velden,
En ik zal met jou door de velden gaan en je zien bloemen plukken.

Ik zie je nu al morgen met mij bloemen plukken op de velden,
Maar als je morgen komt en werkelijk met mij gaat bloemen plukken,
Zal dat voor mij een vreugde en iets nieuws zijn.

De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713  terug    naar boven

Uit de cyclus: De herder verliefd

Nu dat ik liefde voel
Hecht ik belang aan geuren.
Nooit eerder hechtte ik belang aan 't geuren van een bloem.
Maar nu ruik ik de geur van bloemen alsof ik iets nieuws zag.
Ik weet wel dat ze geurden, zoals ik weet dat ik bestond.
Dat zijn de dingen die men weet van buiten.
Maar nu weet ik het met de adem van achter in mijn hoofd.
Nu smaken mij de bloemen op papillen waarmee men ruikt.
Nu word ik wakker, soms, en ruik nog voordat ik zie.

De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713  terug    naar boven

Uit de cyclus: De hoeder van kudden
V

Er is metafysica genoeg in denken aan niets.

Wat ik denk van de wereld?
Weet ik veel wat ik van de wereld denk!
Als ik ziek werd zou ik daaraan denken.

Welk idee heb ik over de dingen?
Welke mening heb ik omtrent oorzaak en gevolgen?
Wat heb ik tot nu bespiegeld over God, de ziel,
Over de schepping van de Wereld?
Ik weet niet. Voor mij is daaraan denken de ogen sluiten
En niet denken. Het is de gordijnen dichtdoen
Van mijn raam (dat geen gordijnen heeft).

Het mysterie der dingen? Weet ik veel wat mysterie is!
Het enige mysterie is dat er zijn die denken over het mysterie.
Wie in de zon staat en de ogen sluit,
Begint met niet te weten wat de zon is
En heel veel dingen te denken vol van warmte.
Maar dan opent hij de ogen en hij ziet de zon,
En kan al nergens meer aan denken,
Want het zonlicht is meer waard dan de gedachten
Van alle filosofen en van alle dichters.
Het zonlicht weet niet wat het doet
En daarom faalt het niet en is het gemeengoed en goed.

Metafysica? Welke metafysica hebben die bomen?
Die van groen zijn en gekruind en takken hebben
En van vruchten geven op hun tijd,
hetgeen ons niet doet denken
Ons, die niet bij machte zijn ze echt te zien.
Maar welke metafysica is beter dan de hunne,
Die is: niet weten waartoe ze leven
Noch weten dat ze het niet weten?

'Innerlijke constitutie der dingen'...
'Innerlijke zin van het Heelal'...
Dat alles is onecht, dat alles wil niets zeggen.

Het is ongelooflijk dat men denken kan aan dat soort dingen.
Het is als denken aan redenen en doeleinde
Wanneer het eerste ochtendlicht straalt, en langs de rand der bomen
Een zacht en glanzend goud de duisternis verdrijft.

Denken aan de innerlijke zin der dingen
Is overtollig, zoals denken aan gezondheid
Of als een glas water dragen naar het water van de bronnen.

De enige innerlijke zin der dingen
Is dat ze geen enkele innerlijke zin hebben.

Ik geloof niet in God omdat ik hem nooit heb gezien.
Als hij zou willen dat ik in hem geloofde,
Zou hij ongetwijfeld met mij komen praten
En mijn kamer binnenstappen
En mij zeggen, Hier ben ik!

(Dit klinkt misschien lachwekkend in de oren
Van wie, niet wetende wat kijken naar de dingen is,
Ook niet begrijpt degene die erover spreekt
Op de manier van spreken die het waarlijk zien der dingen leert.)

Maar als God de bloemen en de bomen is
En de bergen en zon en het maanlicht,
Dan geloof ik in hem,
Dan geloof ik in hem op ieder uur,
En mijn hele leven is één gebed en één mis,
En een communie met de ogen en door de oren.

Maar als God de bomen en de bloemen is
En de bergen en het maanlicht en de zon,
Waarom dan noem ik hem God?
lk noem hem bloemen en bomen en bergen en zon en maanlicht;
Want als hij, opdat ik hem zou zien,
Zich zon gemaakt heeft en maanlicht en bloemen en bomen en bergen,
Als hij mij verschijnt zijnde bomen en bergen
En maanlicht en zon en bloemen,
Dan is het omdat hij wil dat ik hem ken
Als bomen en bergen en bloemen en maanlicht en zon.

En daarom gehoorzaam ik hem,
(Wat weet ik meer van God dan God van zichzelf?),
Ik gehoorzaam hem door te leven, spontaan,
Als wie de ogen openslaat en ziet,
En ik noem hem maanlicht en zon en bloemen en bomen en bergen,
En ik heb hem lief zonder aan hem te denken,
En ik denk mij hem door te zien en te horen,
En ik ga met hem op ieder uur.

1914 | De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713  terug    naar boven

Uit de cyclus: De hoeder van kudden
XXIV

Wat wij zien van de dingen zijn de dingen.
Waarom zouden wij het één zien als er iets anders was?
Waarom zouden zien en horen ons vergissen zijn
Als zien en horen zien en horen zijn?

Essentieel is kunnen zien,
Kunnen zien zonder te denken,
Kunnen zien wanneer men ziet,
En niet denken wanneer men ziet
Noch zien wanneer men denkt.

Maar dat (wee ons, met onze aangeklede zielen!),
Dat vereist diepgaande studie,
Eist een leerschool in verlering
En opsluiting in de vrijheid van dat klooster
Waarvan dichters zeggen dat de sterren de eeuwige nonnen zijn
En de bloemen de overtuigde boetelingen van één dag,
Maar waar uiteindelijk de sterren niets dan sterren zijn
en de bloemen niets dan bloemen,
Reden waarom wij ze sterren en bloemen noemen.

1914 | De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713 terug    naar boven

Uit de cyclus: De hoeder van kudden
XXVIII

Vandaag bijna twee bladzijden gelezen
Uit het boek van de mystieke dichter,
En gelachen als wie veel gehuild heeft.

Mystieke dichters zijn zieke filosofen
En filosofen zijn onwijze mensen.

Want mystieke dichters zeggen dat bloemen voelen
En ze zeggen dat stenen zielen hebben
En rivieren extasen in het maanlicht.

Maar bloemen, zla ze zouden voelen waren geen bloemen,
Ze waren mensen;
En als stenen zielen zouden hebben, waren ze levende dingen, geen stenen;
En als rivieren extasen zouden hebben in het maanlicht,
Waren rivieren zieke mensen.

Men moet niet weten wat bloemen zijn en stenen en rivieren
Om te kunnen spreken over hun gevoelens.
Spreken over de ziek van stenen, van bloemen, van rivieren,
Is spreken over jezelf en je eigen onechte gedachten.
God zij dank dat stenen slechts stenen zijn,
En rivieren niets dan rivieren
En bloemen alleen maar bloemen,

Ik voor mij, ik schrijf proza van mijn verzen
En dat stemt mij tevreden,
Want ik weet dat ik de natuur begrijp van buiten;
En haar niet begrijp van binnen
Want de natuur heeft geen binnen;
Anders was zij geen natuur.

1914 | De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713  terug    naar boven

Uit de cyclus: De hoeder van kudden
XXVIII

Soms, op dagen van volmaakt en zeer scherp licht,
Waarop de dingen zo werkelijk zijn als ze maar kunnen zijn,
Vraag ik mij langzaam af
Waarom ik schoonheid toeken
Aan de dingen.

Een bloem bijvoorbeeld, heeft die schoonheid?
Is er soms schoonheid in een vrucht?
Nee: ze hebben kleur en vorm
En ze bestaan, meer niet.
Schoonheid is de naam van iets dat niet bestaat
En die ik aan de dingen geef in ruil voor het genot dat zij mij geven
Hij betekent niets.
Waarom dan zeg ik van de dingen: ze zijn mooi?

Ja, zelfs mij, die alleen van leven leeft,
Bezoeken, onzichtbaar, de leugen der mensen
Met betrekking tot de dingen,
Met betrekking tot de dingen die eenvoudigweg bestaan.

Hoe moeilijk is het jezelf te zijn en slechts het zichtbare te zien!

1914 | De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713  terug    naar boven

Uit de cyclus: Onverzamelde gedichten
Wanneer de lente komt

Wanneer de lente komt
En als ik er dan niet meer ben
Zullen de bloemen net zo bloeien
En de bomen zullen niet minder groen zijn
Dan het vorig voorjaar
De werkelijkheidheeft mij niet nodig

Een enorme vreugde
Bij de gedachte
Dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is
Als ik wist dat ik morgen zou gaan
En het was overmorgen lente
Zou ik tevreden gaan
Omdat het overmorgen lente was
Als dat haar tijd is
Wanneer dan zou ze moeten komen
Tenzij op haar tijd

Ik hou ervan

Dit gedicht is door Frank Boeien op muziek gezet

De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713  terug    naar boven

Uit de cyclus: De hoeder van kudden
1

Ik heb nooit kudden gehoed,
Maar het is alsof ik ze hoedde.
mijn ziel is als een herder,
Kent de winden en de zon
En wandelt aan de hand van de seizoenen
Al lopende en kijkende.
De hele rust van de natuur zonder mensen
komt naast mij zitten.
maar ik word triest als een zonsondergang
Voor onze verbeelding,
Wanneer het koud wordt ver weg op de vlakte
En men voelt dat de nacht is binnengekomen
Als een vlinder door het raam.

Maar mijn droefenis is rust
Omdat zij juist is, en natuurlijk,
En dat wat in de ziel moet zijn
Wanneer die reeds denkt te bestaan
En niet merkt dat de handen bloemen plukken.

Als een geluid van koebellen
Voorbij de bocht van de weg,
Zoals mijn gedachten tevreden.
Het spijt me alleen te weten dat ze tevreden zijn,
Want ik wist het niet, dan zouden ze,
In plaats van tevereden en droevig,
Vrolijk en tevreden zijn.

Denken is lastig als in de regen lopen
Wanneer de wind toeneemt en het harder lijkt te regenen.
Ik heb geen ambities noch verlangens.
Dichter zijn is geen ambitie van mij.
Het is mijn manier van alleen zijn.

En als ik soms, in mijn verbeelding,
Verlang een lammetje te zijn
(Of de hele kudde
Om mij over de hele helling te verspreiden
En veel gelukkigs tegelijk te zijn),
Dan is dat slechts omdat ik voel wat ik scrijf bij zonsondergang,
Of wanneer een wolk de hand over het licht strijkt
En een stlte door het gras waart.

Wanneer ik ga zitten om verzen te schrijven
Of, wandelend lags wegen en paden,
Verzen schrijf op een papier in mijn gedachte,
Voel ik een staf in mijn handen
En zie ik een silhouet van mijzelf
Op de top van een heuvel,
Kijkend naar mijn kudde en mijn gedachten ziende
Of kijkend naar mijn gedachten en mijn kudde ziende,
En vaag glimlachend als wie niet begrijpt wat men zegt
En wil doen of hij begrijpt.

Ik groet hen allen die mij mogen lezen,
Ik neem oor hen mijn breedgerande hoed af
Zodra de diligence verschijnt boven de heuveltop
En ze voor mijn deur zien zitten.
Ik groet hen en wens hun zon,
En regen, wanneer ze regen nodig hebben,
En dat in hun huis
Voor een open raam
Een lievelingsstoel staat
Waarin ze kunnen zitten en mijn verzen lezen.
En dat ze, bij het lezen van mijn verzen,
Mogen denken dat ik iets natuurlijks ben -
Bijvoorbeeld, die oude boom
In de schaduw waarvan ze, als kind,
Zich met een plof lieten vallen, moe van het spel,
En het zweet van hun verhitte voorhoofd veegden
Met de mouw van hun gestreepte boezelaar.

De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713  terug    naar boven

Uit de cyclus: Onverzamelde gedichten
Zonder titel

Voorbij de bocht in de weg
Ligt misschien een plas, en misschien een kasteel,
En misschien alleen de voortzetting van de weg.
Ik weet het niet en vraag het niet.
Zolang ik op de weg loop en voor de bocht
Kijk ik naar de weg slechts voor de bocht,
Want ik kan niet anders zien dan de weg oor de bocht.
Ik zou er niets aan hebben naar een andere kant te kijken
En naar dat wat ik niet zie.
Laten we ons houden bij de plaats waar we zijn.
Er is schoonheid genoeg in hier zijn en niet ergens anders.
Als er mensen zijn voorbij de bocht in de weg,
Laten die zich dan maar bemoeien met wat er is voorbij de bocht in de weg.
Die weg is voor hen de weg.
Mochten wij daar ooit komen, dan zien we wel als we daar komen.
Voorlopig weten we alleen dat we daar niet zijn.
Hier is slechts de weg voor de bocht, en voor de bocht
Is er de weg zonder enige bocht.

De hoeder van kudden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9029536713 terug    naar boven

Uit de cyclus: Oden
Zonder titel

Niet slechts die ons haat of benijdt
Begrenst en onderdrukt ons; wie ons liefheeft
Stelt niet minder grenzen.
Mogen de goden mij vergunnen dat, ontdaan
Van elk gevoel, ik de ijskoude vrijheid hebbe
Van de toppen waar niets is.
Wie weinig wil, heeft alles; wie niets wil
Is vrij; hij die niet heeft, noch hebben wil, Is, mens, gelijk de goden

(01-11-1930)

Oden| vert. A. Willemsen Arbeiderspers ISBN 9789029536462  terug    naar boven

Introductie  •Biografie  • Heteroniemen • Gedichten •  Links  • E-mail