terug

Alvaro de Campos

Soms heb ik....

Soms heb ik gelukkige gedachten,
Gedachten, plotseling gelukkig, in gedachten
En in de woorden waar ze zich vanzelf in losmaken...

Na het schrijven, lees ik…
Waarom heb ik dit geschreven?
Waar heb ik dit vandaan gehaald?
Van waar is dit tot mij gekomen? Dit is beter
dan ikzelf…
Zouden wij op deze wereld niets dan pennen
zijn met inkt
Waarmee iemand waarachtig schrijft wat wij
hier krassen?…

in het portugees

| Fernando Pessoa, Gedichten Arbeiderspers 1978 vert. A. Willemsen  terug    naar boven

Demogorgon

In de straat vol vage zon staan huizen stil en lopen mensen.
Een treurigheid vol angst verkilt mij.
Ik voel dat iets gebeuren gaat aan gene zijde van de gevels en bewegingen.

Nee, nee, dat niet!
Alles liever dan weten wat het Mysterie is!
Oppervlak van het Heelal, o OOgleden Geloken,
Slaat u nimmer op!
De blik der Laatste Waarheid moet onverdraaglijk zijn!

Laat mij leven zonder iets te weten, steren zonder te gaan weten!
De reden dat er wezen is, dat wezens zijn, dat alles is,
Moet waanzin brengen groter dan de ruimten
Tussen de zielen en tussen de sterren.

Nee, nee, de waarheid niet! Laat mij deze huizen, deze mensen;
Zo, zonder meer, slechts deze huizen, deze mensen...
Welk verschrikkelijk en ijzig ademen raakt mijn gesloten ogen?
Ik wil ze niet openen uit leven! O waarheid, vergeet mij!

(1928)

| vert. A. Willemsen  terug    naar boven


Aan de vooravond van nooit vertrekken

Aan de vooravond van nooit vertrekken
Hoeft men teminste geen koffers te pakken
Noch plannen op papier te zetten,
Met onbedoelde begeleiding van wat men vergeet,
Voor het vertrek, vrijblijvend nog, de dag daarop.
Men hoeft niets, niets te doen
Aan de vooravond van nooit vertrekken.
Welk een rust niets meer te hebben om van uit te rusten!
Grote gemoedsrust, de gemoedsrust zelfs geen schouderophaal op te brengen
Voor dit alles, alles al gedacht te hebben,
Is het, welbewust te zijn beland bij niets.
Grote vreugde als geen vreugde meer van node is:
Een omgekeerde buitenkans.
Hoe vele malen lang reeds leef ik
Het vegatieve leven van het denken!
Alle dagen, sine linea,
Rust in ruste, rust...
Grote gemoedsrust...
Welk een vrede, na zo vele reizen, geestelijke en lichamelijke!
Hoe heerlijk kijken is het naar de koffers, starend als naar niets!
Sluimer, mijn ziel, sluimer!
Grijp je kans en sluimer!
Sluimer!
Kort is de tijd die je gegund is! Sluimer!
het is de vooravond van nooit vertrekken!

(27-09-1934)

in het portugees

| Fernando Pessoa, Gedichten Arbeiderspers 1978 | vert. A. Willemsen  terug    naar boven

59 Bijna

[…]

Ik ga mijn koffers pakken voor het Definitieve,
Álvaro de Campos organiseren,
En morgen even ver zijn als eergisteren – een eergisteren dat eeuwig is…

Ik glimlach om de voorkennis van al het niets dat ik zal zijn…
In elk geval, ik glimlach; glimlachen is altijd íets.

Romantische voortbrengselen, wij allemaal…
En waren we geen romantische voortbrengselen, dan waren we misschien wel niets.

Zo maakt men literatuur…
Arme, arme Goden, zo maakt men zelfs leven!

| Fernando Pessoa, Gedichten Arbeiderspers 1978 | vert. A. Willemsen  terug    naar boven

gedicht in rechte lijn


Ik heb nooit iemand gekend die in elkaar geslagen is.
Al mijn kennissen waren altijd kampioen in alles.

En ik, zo vulgair, zo vaak platvoers, zo vaak laaghartig,
Ik, zo vaak onverantwoord parasiet,
Onvergeeflijk smerig,
Ik, die zo vaak geen geduld heb gehad om een bad te nemen,
Ik, die zo vaak lachwekkend ben geweest, absurd,
Die in het openbaar mijn voeten heb verward in de tapijten van de etiquette,
Die grotesk geweest ben, minderwaardig, kruiperig en arrogant,
Die beledigingen heb geslikt en heb gezwegen,
die, toen ik nog niet zweeg, nog belachelijker was,
Ik, die komisch was voor kamermeisjes in hotels,
Ik, die het knipogen van loopjongens gevoeld heb,
Ik, die financiële trucs heb uitgehaald, die geld geleend heb zonder terug te betalen,
Ik, die als het uur van klappen kwam, me uit de voeten heb gemaakt
Tot buiten waar de klappen vielen;
Ik , die heb geleden onder de vernedering van kleine riducule dingen,
Ik stel vast dat in dit alles ik op deze wereld geen gelijke heb.

Alle mensen die ik ken, die met mij praten
Hebben nooit iets belachelijks begaan, hebben nooit beledigingen ondergaan,
Zijn altijd maar prins geweest - ja, prinsen - in het leven...
O, kon ik maar een menselijke stem van iemand horen
Die, niet zozeer een zonde, als wel een verachtelijke daad bekende;
Die, niet zozeer van een gewelddaad, als wel van een lafheid vertelde!
Nee, zij zijn allemaal het Ideaal, als ik ze zo hoor speken.
Wie is er op de wijde wereld die mij opbiecht dat hij eens lafhartig was?
O prinsen, mijn broeders,

Godverdegodver, ik ben halfgoden zat!
Waar zijn nog mensen op de wereld?

Ben ik dan de enige die minderwaardig is en zich vergist op deze aarde?

Vroeuwen hebben hen misschien niet liefgehad
Zij kunnen zijn bedrogen - maar lachwekkend, nooit!
En ik, die lachwekkend ben geweest zonder te zijn bedrogen,
Hoe kan ik met mijn superieuren spreken zonder stamelen?
Ik, die minderwaardig ben geweest, letterlijk minderwaardig,
Minderwaardig inde minne en varachtelijke zin van minderwaardigheid.

| Alvaro de Campos Gedichten 1913-1922 |Arbeiderspers 2002 | vert. A. Willemsen  terug    naar boven

Lisbon revisited


Niets hecht mij aan niets.
Ik wil vijftig dingen tegelijk.
Ik hunker met een drang van honger naar vlees
Naar iets, ik weet niet wat -
Begrensderwijze door het onbegrensde...
Ik slaap onrustig, en ik leef in het onrustig dromen
Van wie onrustig slaapt, half dromend.

Alle abstracte en noodzakelijke deuren heeft men voor mij dichtgedaan.
Gordijnen getrokken voor alle hypothesen die ik van de straat zou kunnen zien.
In de gevonden steeg bestaat het nummer niet dat mij gegeven was

Ik ontwaakte voor hetzelfde leven waarvoor ik was ingeslapen.
Zelfs mijn gedroomde legers werden overwonnen.
Zelfs mijn dromen voelden onwaar in het dromen.
Zelfs het slechts verlangde leven staat me tegen - zelfs dat leven...

Ik begrijp op onsamenhangende momenten;
Ik schrijf in tussenpozen van vermoeidheid;
En een weerzin van mijn eigen weerzin werpt me op het strand.

Ik weet niet welk lot of welke toekomst mijn stuurloze wanhoop past;
Noch welke eilanden van het onmogelijke zuiden wachten op mijn schipbreuk;
Op welke palmbossen van literatuur mij althans één vers zullen geven.

| De metafysische ingenieur en andere gedichten | Arbeiderspers 2008 | vert. A. Willemsen  terug    naar boven


Sigarenwinkel


Ik ben niets.
Ik zal nooit iets zijn.
Ik kan ook niet iets willen zijn.
Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.

Vensters van mijn kamer,
Kamer van een der miljoenen op aarde van wie geen mens weet wie hij is
(En als ze zouden weten wie hij is, wat zouden ze dan weten?),
Ge ziet uit op het mysterie van een straat waardoor voortdurend mensen lopen,
Op een straat voor iedere gedachte ontoegankelijk,
Werkelijk, onmogelijkerwijze werkelijk, zeker, ongekenderwijze zeker,
Waar het mysterie der dingen onder de stenen en de wezens ligt,
Waar de dood vocht legt op de muren en op de mensen witte haren,
Waar het Lot de kar van alles stuurt over de weg van niets.

Ik ben vandaag verslagen, alsof ik de waarheid wist.
Ik ben vandaag lucide, alsof ik op het punt van sterven stond,
En niet meer broederschap had met de dingen
Dan een afscheid, dat dit huis en deze straatkant transformeert
In een rij treinwagons, het fluitsignaal van een vertrek
Gegeven in mijn hersens,
En een schokken van mijn zenuwen en een geknars van botten bij het rijden.

Ik ben vandaag perplex, als wie heeft nagedacht, gevonden en vergeten.
Ik ben vandaag verdeeld tussen de trouw die ik verschuldigd ben
Aan de Sigarenwinkel aan de overkant, als uiterlijke werkelijkheid,
En de gewaarwording dat alles droom is, innerlijke werkelijkheid.

Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft
Heb ik verlaten door het achterraam.

Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik ga weg van het raam af, ga zitten in een stoel. Waar zal ik eens aan denken?

Wat weet ik van wat ik zal zijn, ik die niet weet wat ik ben?
Zijn wat ik denk te zijn? Maar ik denk zo veel te zijn!
En er zijn zo velen die denken hetzelfde te zijn dat er nooit zo velen kunnen zijn!
Genie? Op dit moment
Wanen honderdduizend breinen zich in droom genie als ik,
En de geschiedenis zal er, wie weet?, niet één vermelden,
En nets anders zal resten dan mest van hun toekomstige veroveringen.
Nee, ik geloof niet in mijzelf.
In alle gekkenhuizen zijn volslagen idioten vol van zekerheden!
Ik, die geen zekerheid heb, ben ik onzekerder of zekerder?
Nee, zelfs niet in mijzelf ...
In hoeveel zolderkamers en niet-zolderkamers op de wereld
Zitten niet op dit moment genieën-voor-zichzelf te dromen?
Hoeveel verheven, nobele, lucide aspiraties -
Ja, waarlijk verheven, nobel en lucide -,
En wie weet realiseerbaar,
Zullen nooit het werkelijke zonlicht zien noch oren om te horen vinden?
De wereld is voor wie geboren wordt haar te veroveren
En niet voor hem die droomt dat hij haar kan veroveren, ook al heeft hij gelijk.
Ik heb meer gedroomd dan Napoleon heeft verricht.
Ik heb aan mijn veronderstelde hart meer mensdommen gedrukt dan Christus,
Ik heb filosofieën in 't geheim ontwikkeld die geen Kant geschreven heeft.
Maar ik ben, en zal wel altijd zijn, die van de zolderkamer,
Ook al woon ik daarin niet;
Ik zal altijd zijn degeen die daarvoor niet geboren was;
Ik zal altijd enkel zijn degeen die zo begaafd was;
Ik zal altijd degene zijn die hoopte dat men hem de deur zou opendoen voor een muur zonder deur,
En die het lied van het Oneindige zong in een kippenren,
En de stem Gods hoorde in een gedempte put.
Geloven in mijzelf? Nee, noch in wat dan ook.
Laat de Natuur over mijn koortsig hoofd
Haar zon uitstorten en haar regen, de wind die mijn haren weet te vinden,
En laat de rest maar komen als het komt, of komen moet, of anders komt het niet.
Hartlijdende slaven van de sterren,
Hebben wij de wereld al veroverd vóór uit ons bed te komen;
Maar we ontwaken en ze is ondoorzichtig,
We staan op en zij is vreemd,
We gaan het huis uit en ze is de hele aarde,
Plus het zonnestelsel en de Melkweg en het Onbegrensde.

(Eet die chocolaatjes, kleine meid;
Eet op!
Heus, er is op de wereld niet meer metafysica dan chocolaatjes.
Heus, alle religie samen leert ons niet meer dan snoepgoed.
Eet op, mormel, eet op!
Kon ik maar chocolaatjes eten met dezelfde authenticiteit waarmee jij eet!
Ik echter denk, en als ik het zilverpapier eraf haal, dat van tin is,
Gooi ik alles op de grond, zoals ik ook mijn leven heb vergooid.)

Maar althans blijft van de bitterheid om wat ik nooit zal zijn
Het vlugge handschrift dezer verzen,
In puin gevallen poort tot het Onmogelijke.
Maar althans draag ik mijzelf verachting zonder tranen toe,
Nobel tenminste in het waardige gebaar waarmee ik
Zonder waslijst in der dingen loop de vuile was werp die ik ben,
En thuisblijf zonder hemd.

(Gij die vertroost, die niet bestaat en daarom troost vertroost,
Hetzij Griekse godin, gedacht als standbeeld maar dan levend,
Of Romeins patriciërsvrouw, ondenkbaar nobel en noodlottig,
Of prinses der troubadours, gracieus in kleurige gewaden,
Of markiezin uit de achttiende eeuw, gedecolleteerd, gedistancieerd,
Of beroemde cocotte uit de tijd van onze vaders,
Of iets moderns - hoewel ik niet zou weten wát-,
Dat alles, wat het zij, wat gij ook zijt, als het kan inspireren, dat het inspirere!
Mijn hart is een leeggegooide emmer.
Zoals zij die geesten oproepen geesten oproepen roep ik
Mijzelf op en vind niets.
Ik ga voor het raam staan en ik zie de straat met absolute duidelijkheid.
Ik zie de winkels, ik zie de trottoirs, ik zie de auto's die voorbijgaan,
Ik zie de levende en aangeklede wezens die elkaar passeren;
Ik zie de honden die, ook zij, bestaan,
En dit alles deprimeert me als een vonnis tot verbanning,
En dit alles is vreemd, als alles.)

Ik heb geleefd, heb gestudeerd, heb liefgehad en zelfs geloofd,
En thans is er geen bedelaar die ik niet benijd alleen omdat hij mij niet is.
Ik zie van elk de lompen en de wonden en de leugens,
En ik denk: je hebt misschien nooit gestudeerd, geleefd, geloofd of liefgehad
(Want dit alles kunnen we in werkelijkheid doen zonder het echt te doen);
Je hebt misschien alleen bestaan, zoals een hagedis met afgeknipte staart
En die op kronkelende wijze staart is zonder hagedis.

Ik ben geworden wat ik niet kon zijn,
En wat ik zijn kon ben ik niet geworden.
De domino die ik aantrok was de verkeerde.
Men herkende mij meteen als de persoon die ik niet was en ik ontkende niet, en was verloren.
Toen ik het masker wilde afdoen,
Zat het vast aan mijn gezicht.
Toen ik het afdeed en mij in de spiegel zag,
Was ik reeds oud geworden.
Ik was dronken, kon de domino niet aan die ik niet uitgetrokken had.
Ik wierp het masker weg en ik ging slapen in de vestiaire
Als een hond die wordt getolereerd door de directie
Omdat hij ongevaarlijk is
En ik schrijf deze verhaal om te bewijzen hoe subliem ik ben.

Muzikale kern van mijn onnutte verzen,
Kon ik u slechts zien als iets wat ik zelf maakte,
In plaats van als maar tegenover de Sigarenwinkel tegenover mij te zitten,
Met voeten het bewustzijn tredend te bestaan,
Gelijk een vloerkleed waar een dronkaard over struikelt
Of een deurmat die, gestolen door zigeuners, bleek niets waard te zijn.

Maar de Sigarenhandelaar is in de deur gekomen en hij blijft daar staan.
Ik bezie hem met het onbehagen van het half gedraaide hoofd
En met het onbehagen van de ziel die half begrijpt.
Hij zal sterven en ik zal sterven.
Hij zal zijn uithangbord nalaten, ik zal poëzie nalaten.
Te zijner tijd zal ook het uithangbord vergaan, en ook de poëzie.
Later zal de straat vergaan waar het uithangbord gehangen heeft,
En ook de taal waarin de poëzie geschreven was.
Nog later zal de tollende planeet vergaan waarop dit alles plaatsvond.
Op andere satellieten van andere stelsels zal zo iets als mensen
Voortgaan zoiets als poëzie te maken en te leven onder zoiets als uithangborden,
Steeds het een tegenover het ander,
Steeds het een zo zinloos als het ander,
Steeds het onmogelijke zo stompzinnig als het werkelijke,
Steeds het mysterie van de diepte even zeker als de slaap van mysterie aan het oppervlak,
Steeds dit of steeds iets anders of anders noch het een noch het ander.

Maar een man is de Sigarenwinkel ingegaan (om sigaren te kopen?)
En eensklaps overvalt mij de plausibele realiteit.
Ik kom half overeind, vol energie en overtuiging, als een mens,
En ga proberen dit gedicht te schrijven waarin ik het tegendeel beweer.
Ik steek een sigaret op, denkend aan het schrijven
En in de sigaret proef ik bevrijding van alle gedachten.
Ik volg de rook gelijk een eigen weg,
En in een passend en gevoelvol ogenblik geniet ik
De bevrijding van alle bespiegelingen
En het besef dat metafysica een gevolg van zich niet lekker voelen is.

Dan ga ik achterover liggen in mijn stoel
En ik ga door met roken.
Zolang het Lot het mij vergunt zal ik doorgaan met roken.

(Wanneer ik met de dochter van mijn wasvrouw trouwde
Was ik misschien gelukkig.)
Dit begrepen hebbend, sta ik uit mijn stoel op. Ik ga naar het raam.

De man is de Sigarenwinkel uitgekomen (kleingeld in zijn broekzak stekend?).
O, ik ken hem; het is Steven zonder metafysica.
(De Baas van de Sigarenhwinkel is in de deur gaan staan.)
Als gedreven door een goddelijk instinct draaide Steven zich om en zag mij.
Hij zwaaide naar me, en ik riep Dag, Steven!, en het universum
Kreeg voor mij zijn vorm weer zonder hoop noch ideaal, en de Baas van de Sigarenwinkel
glimlachte.
(15.1.1928)

| Álvaro de Campos De metafysische ingenieur en andere gedichten 1923-1935 | Arbeiderspers 2008 | vert. A. Willemsen  terug    naar boven

Introductie  • Biografie  • Heteroniemen • Gedichten •  Links  • E-mail