Ook kantoorbodes moeten sterven
Ger Groot
NRC-Handelsblad 6 januari 2006
De Portugese schrijver Fernando Pessoa beschouwde zijn
semi-heteroniem Bernardo Soares als een verminking van zijn
eigen persoonlijkheid. Zelden schreef hij mooier over het drama
van de gewone man.
Lissabon moet voor Bernardo Soares een stad van regen, lage
luchten en onweer zijn geweest. Keer op keer stelt hij in zijn
Boek der rusteloosheid vast hoe de lucht betrekt, de druppels
miezerig vallen of een donderslag de middagloomte doorbreekt. Een
enkele keer spreekt hij over de zomerwarmte, maar bijna steeds
is zijn Lissabon grijs-betrokken. Die stad is zijn wereld. Zelden
komt hij er buiten en dan schijnt zelfs een kort treintraject hem
bijna een wereldreis toe.
Zijn universum is de hoofdstad, waar zijn leven zich
concentreert in zijn huurkamer en vooral in de stoffenhandel
Vasques & Co, waar hij als hulpboekhouder zijn dagen slijt.
“Achter in het kantoor hield de bode heel even het touw rond zijn
eeuwige pakje stil', schrijft hij op een dag. “Het donker werd
zwart van stilte. En ineens levend staal.” Het onweert, waarna
de stad herleeft. “Het metalige tingelen van de trams! Wat een
vrolijk landschap de simpele regen in de uit de afgrond herrezen
straat!” En bijna gelukkig verzucht hij:“O Lissabon, mijn
thuis!”
Die laatste ontboezeming had ook die van Fernando Pessoa zelf
kunnen zijn, de man die zich in het begin van het boek voorstelt
als de bezorger van Soares' Autobiografie zonder feiten, zoals
hij diens nagelaten bekentenissen betitelt. Er zijn nogal wat
overeenkomsten tussen Pessoa en Soares. Beiden werkten op een
handelskantoor, al nam Pessoa als correspondent en soms zelfs
ondernemer duidelijk een hogere positie in. Beiden woonden hun
hele leven op kamers en voelden zich ongemakkelijk in de omgang
met vrouwen. Allebei waren ze vreemde verschijningen die niet
helemaal in de samenleving leken te passen. En beiden waren
hartstochtelijk verknocht aan Lissabon, hun thuis.
Geen wonder dat Pessoa, die zichzelf in zijn werk opsplitste
in talrijke heteroniemen, elk met een eigen karakter, in een kort
voor zijn dood geschreven brief een bijzondere status aan Soares
verleent. Hij wil hem dan hoogstens een 'semi-heteroniem' noemen,
“omdat zijn persoonlijkheid weliswaar niet samenvalt met de
mijne, maar ook niet anders is. Je zou hem een verminking van
mijn persoonlijkheid kunnen noemen. Ik ben het, zonder mijn
verstand en gevoelsleven.”
Toch is er wel meer dat hen onderscheidt en dat gaat verder
dan de afkeer van poëzie waarvan Bernardo Soares nadrukkelijk
melding maakt. Ondanks zijn onaangepastheid was Pessoa uiterst
actief betrokken bij het Portugese literaire leven, met af en toe
een uitstapje naar de politiek. Aan de dadendrang die bij Soares
zo nadrukkelijk afwezig is, ontbrak het hem allerminst. Maar wel
kon hij lijden aan een neerslachtigheid, die hem in oktober 1914
doet schrijven: “Mijn geestestoestand wordt momenteel bepaald
door een diepe, kalme depressie. Ik bevind mij al dagen op het
niveau van het Boek der rusteloosheid. En ik heb er ook aan
geschreven. Vandaag nog een heel hoofdstuk.”
Twee jaar daarvoor was hij begonnen aan het boek dat zijn
magnum opus in proza zou moeten worden. Van Bernardo Soares is
dan nog geen sprake. Aanvankelijk creëert Pessoa er de figuur
van Vicente Guedes voor: een dandy zonder duidelijke bron van
inkomsten, die het nietsdoen tot kunst verheven heeft. In de lijn
van het decadente symbolisme schrijft Pessoa de eerste stukken
voor het Boek der rusteloosheid. Het zijn nogal geëxalteerde
uitbarstingen met een flirt naar mystiek, hymnische litanieën
of een treurmars voor de Beierse sprookjesvorst Ludwig II.
Er waren een modernistische doorbraak en een schrijfpauze van
vijftien jaar voor nodig om Pessoa van dit spoor én van Vicente
Guedes af te helpen. Tegen het eind van de jaren twintig begint
hij opnieuw aan zijn boek en nu is Bernardo Soares er de
semi-heteronieme 'auteur' van. Geen dandy meer, maar een wat
sjofele man zonder veel sociaal of familieleven; Pessoa maakt hem
op jonge leeftijd wees. Des te sterker gaat hij op in zijn
werkkring met 'baas Vasques', zijn directe chef boekhouder
Moreira en de nodige bodes en bedienden.
Voor zover zijn vermogen daartoe reikt, is Soares gelukkig
op het kantoor aan de Rua dos Douradores, vierde verdieping, maar
nooit zonder voorbehoud. Soms droomt hij al met pensioen te zijn,
alleen om met droevige nostalgie te kunnen terugverlangen naar
die betere dagen. Want ook ruim vijftien jaar later blijft in het
Boek der rusteloosheid de depressieve sfeer overheersen die
Pessoa in 1914 al bij zichzelf constateerde. Soms moet de
schrijver zelf met enige ironie vaststellen: “Dit boek is één
grote klaagzang”. En Lissabon huilt met hem mee, wanneer de lucht
weer eens op regenen staat.
Van Vicente Guedes heeft Bernardo Soares ook de
levensafzijdigheid behouden waarmee Pessoa in hem een werkelijk
literair type geschapen heeft. Zoals Oblomov de incarnatie is
geworden van de luiheid, Hamlet die van de aarzeling en Candide
die van het optimisme, zo groeit Soares in dit boek uit tot de
belichaming van de man die geen leven heeft en ook niet wil
hebben. “Het is verheven schuchter te zijn,” zo schrijft hij,
“eminent niet te kunnen handelen, groots geen aanleg te hebben
voor het leven.” Zo versmelt Soares met zijn onopvallende
alledaagsheid en de banaliteit van zijn monotone bedoeningen en
wordt hij het embleem van een 'meneer iedereen'.
Liefde kent deze solitair niet, noch zoekt hij haar. “De
onanist is abject, maar nauwkeurig bezien is de onanist de
volmaakte, logische uitdrukking van de verliefde. Hij is de enige
die niet veinst of zichzelf bedriegt”, zo tekent hij aan. Hij
houdt zijn gevoelsleven opzettelijk beperkt (Een zonsondergang
is een verstandelijk fenomeen) en als in hem wel eens een
sentiment opwelt, dan heeft ook dat betrekking op het banaalste:
“Toen ik vandaag door de Rua Nova do Almada liep, viel mijn oog
ineens op de rug van de man voor mij. [...] Ik voelde plotseling
iets als tederheid voor die man. De vertedering die je voelt voor
de algemene menselijke gewoonheid [...] van het gezinshoofd dat
naar zijn werk gaat [...], voor de dierlijke natuurlijkheid van
die geklede rug.”
Maar achter de façade van Soares' nulliteit woedt de
rusteloosheid die het boek zijn naam gaf. Bernardo Soares leeft
geheel voor zijn dromen, waarin hij even gemakkelijk een keizer
als een filosoof kan zijn. “Sluit je op in je ivoren toren, maar
sla de deur niet achter je dicht. En je ivoren toren ben jezelf,”tekent hij aan. Daartoe ziet hij bewust af van het leven,
waartegenover hij een zorgvuldig gekoesterde weerzin ontwikkelt
en die hem allergisch maakt voor wereldkennis en verre reizen.
“Dromen over Bordeaux”, schrijft hij, “is niet alleen beter maar
ook waarachtiger dan uit de trein stappen in Bordeaux
De
'autobiografie zonder feiten' die Pessoa bij het schrijven
van het Boek der rusteloosheid voor ogen stond, wordt daarmee
vanzelf een lange reeks van mijmeringen, waarin Bernardo Soares
niet alleen zijn fantasie maar vooral zijn hang naar
beschouwelijkheid de vrije teugel geeft. Ieder miniem voorval in
zijn leven kan daartoe aanleiding geven, van een beginnend
motregentje tot het plotselinge verschijnen van een bediende op
het lege kantoor.
“Het zware grootboek', schrijft hij, “ligt geopend voor me op
het schuine blad van de oude lessenaar en ik sla er samen met
mijn vermoeide ogen een nog vermoeider ziel van op [...] Bij het
registreren van een stof die ik niet ken, openen zich voor mij
de poorten van de Indus en Samarkand, en de poëzie van Perzië,
die tot geen van beide oorden behoort, vormt [...] een verre
steun voor mijn rusteloosheid”. Maar, zo vervolgt hij dan
plotseling weer alledaags, “ik maak geen fouten, ik schrijf en
tel op zoals het een bediende betaamt, en de boekhouding krijgt
haar normale beslag”.
Zo keert de rêverie van Soares steeds weer terug naar de Rua
dos Douradores, zo gewoontjes dat iedere zielsbevlieging er
vanzelf iets komisch door krijgt. “Soms wekt mijn eigen
onbeduidende droom ontzetting over het innerlijk leven bij mij
fysieke walging voor mysticismen en beschouwingen”, zo peinst
hij. “Met hoeveel haast ren ik dan van huis, waar ik zo droom,
naar kantoor; en dan zie ik het gezicht van Moreira alsof ik
eindelijk een veilige haven binnenvaar. Al met al verkies ik
Moreira boven de sterrenwereld.”
Het aangrijpendst is Bernardo Soares op het scherp van de
snede tussen die droombevliegingen en de realiteit die hen
weerspreekt. Dan wordt zijn figuur een concrete gestalte, gebogen
over het grootboek of haastig zijn hoed pakkend wanneer baas
Vasques het personeel met een enkel woord laat gaan. Helemaal
zonder levensfeiten kan ook deze levensbeschrijving van een
levenloos man het nu eenmaal niet stellen. Juist de frictie
tussen Soares' hoge gedachten en zijn beuzelachtig bestaan maken
van hem de persoon die bijblijft, hoe ongrijpbaar hij in zijn
anonimiteit ook is.
Wellicht was die ongrijpbaarheid ook het ideaal van Pessoa en
schiep hij dit semi-heteroniem om sommige van zijn eigen
karaktertrekken voor zijn lezer te verhelen. Bijna verbeten laat
hij, bij monde van Bernardo Soares, weten niet te geloven dat
iemand anders hem ooit werkelijk zal begrijpen. Die mogelijkheid
is niet alleen onbestaanbaar, maar zou zelfs even ongepast als
onverdraaglijk zijn.
Nog veelzeggender is Soares' onvermogen - en zelfs onwil - om
de taken die hij zichzelf heeft opgelegd tot een goed einde te
brengen. “Ik zal dan ergens in een huisje in een buitenwijk
vreedzaam genieten van een rust', zo mijmert hij over zijn latere
pensioen, “waarin ik het oeuvre niet tot stand zal brengen dat
ik ook nu niet tot stand breng.” Berucht was de neiging van
Pessoa om projecten en voornemens half-afgemaakt te laten
verslonzen en ook het Boek der rusteloosheid is uiteindelijk
onvoltooid gebleven. Het heeft na zijn dood in 1935 bijna vijftig
jaar moeten duren voordat er in Portugal een eerste uitgave van
verscheen.
Sindsdien is de ene editie de andere opgevolgd, uitgebreid met
nieuw-gevonden materiaal of juist geschoond van wat daartoe ten
onrechte gerekend werd. Vijftien jaar geleden verscheen voor het
eerst een Nederlandse bloemlezing uit Het boek der rusteloosheid,
gebaseerd op de eerste uitgave. De nieuwe vertaling die nu is
uitgebracht kan - op basis van de nieuwste Portugese edities -
als 'volledig' gelden, voor zover daarvan ooit sprake kan zijn
bij een boek dat uit honderden aantekeningen en kladjes is
samengesteld.
Het onaffe karakter daarvan is aan bijna iedere bladzijde af
te lezen. Fragmenten breken af midden in een zin, woorden
ontbreken en vaak is de samenhang van de opeenvolgende
brokstukken ver te zoeken. De lezer moet in het boek zijn eigen
weg vinden en kan daar maar beter de tijd voor nemen. Het Boek
der rusteloosheid leent zich slecht voor straf doorlezen van kaft
tot kaft. Daarvoor zwalkt het te veel en worden de herhalingen
te opvallend.
Zo desoriënterend als dit nog in de steigers staande boek mag
zijn, zo avontuurlijk is het ook daarin rond te dwalen en verrast
te worden door een plotselinge beschrijving of overpeinzing, even
raak en bondig als die van de beste aforismen-schrijvers. Niet
alles in deze nieuwe editie, die bijna de helft langer is dan de
vroegere, voldoet aan die hoge standaard die Pessoa zelf bij de
tekstselectie nu eenmaal nooit heeft kunnen aanleggen. Wel is
opvallend hoeveel soepeler de vertaling van Harrie Lemmens
geworden is. Minder zwaar en omslachtig, minder plechtig ook,
weerklinkt in de taal van Pessoa/Soares nu de
boekhouders-alledaagsheid die, met haar onvermoede diepten,
uiteindelijk altijd weer terugkeert naar het grootboek.
Zelden beschreef Pessoa het drama van de gewone man mooier
dan in een fragment van 16 december 1931: Vandaag is, naar men
zegt voorgoed, de zogenaamde bode van kantoor teruggekeerd naar
zijn geboortedorp, de man die ik steeds als een deel van dit
menselijke huis en dus als een deel van mijzelf en mijn wereld
heb beschouwd. Niets van wat ooit in ons was, zo mijmert hij
verder, gaat weg zonder dat daarmee iets van onszelf verdwijnt.
Zo ook de bode, wiens vertrek aan het eind van iedere alinea als
een klagend refrein wordt herhaald.
Klinkt dat, eenmaal in de vierde alinea, nog altijd als een
treurzang? Of wordt die ongewild komisch, met de droge humor die
in dit boek zo gemakkelijk over het hoofd kan worden gezien? De
tekst zelf lijkt tussen die twee mogelijkheden te aarzelen: een
tragedie die door haar loutere herhaling vanzelf grappig dreigt
te worden. “Wanneer voor mij de geluidloze klok van de dood of
het weggaan luidt zal ook ik iemand zijn die hier niet meer is,
een oud kopieboek dat wordt opgeborgen in de archiefkast onder
de trap,” zo schrijft Pessoa.. “Mijn God, mijn God, de bode van
kantoor is weggegaan.”
Zo desoriënterend als dit boek mag zijn, zo avontuurlijk is
het ook daarin rond te dwalen.