Zo buigt het graan
T. van Deel
Trouw 21 december 2002
Pas in 1978 is het bestaan van de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935) echt tot Nederland doorgedrongen, want toen verscheen de omvangrijke bloemlezing 'Gedichten' in de veelgeprezen vertaling van August Willemsen, een herhaaldelijk herdrukte uitgave, die Pessoa voorgoed inlijfde bij de Nederlandse poëzie. Dat boek maakte ook meteen duidelijk dat Pessoa allerminst een eenduidige dichter was, aangezien hij zichzelf verdeelde over verschillende heteroniemen, waarvan Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Alvaro de Campos de belangrijkste zijn.
Kennelijk beluisterde Pessoa, die overigens ook onder zijn eigen naam bleef dichten, verschillende stemmen of personages in zichzelf, die hij afwisselend en onder een andere naam (met een andere, fictieve levensgeschiedenis) kon belichamen.
Van deze afsplitsingen is vooral Caeiro bij ons aangeslagen, vanwege het feit dat hij de natuur weigert te verinnerlijken en uitsluitend als buitenkant beschouwt. Rutger Kopland heeft regels van hem als motto gebruikt, maar er zijn veel meer dichters hier die hebben verwezen naar dit heteroniem. Caeiro is een eenvoudige landman, die al even eenvoudige, heldere en vrije verzen schrijft. Campos daarentegen is een futurist, die met veel woordgeweld in lange regels uitbarst.
De minst bekende is Reis, een klassieke, vormvaste dichter die horatiaanse oden heeft geschreven, bijna tweehonderd stuks, vanaf 1904 tot vlak voor Pessoa's dood. Hij voelt zich een leerling van Caeiro, maar heeft anderzijds, zeker na 1923, ook heel veel van Pessoa zelf over te dragen.
De kwestie van de heteronomie is natuurlijk bijzonder ingewikkeld -zo sterft Caeiro na in 1904 'verschenen' te zijn al drie maanden later- en heeft alles te maken met deze versregels van Reis: “Ik heb meer dan één ziel, / Meer ikken dan ikzelf”.
De
Oden van Reis bevatten zijn gehele dichtwerk en daarmee heeft Willemsen voor het eerst één heteroniem van Pessoa volledig recht gedaan. En hoe! De vertalingen zijn subliem en geven door hun archaïserende karakter een goede indruk van dit op de klassieken gebaseerde dichterschap. Reis heeft, in tegenstelling tot Pessoa, zijn academische studie afgemaakt, hij is o doutor Ricardo Reis. Geboren in 1887 in Porto, grootgebracht op een jezuïetencollege, is hij arts geworden en leeft hij sinds 1919 in Brazilië omdat hij, in de woorden van Pessoa, “het land heeft verlaten wegens monarchistische sympathieën. Hij is latinist door scholing van anderen en semi-hellinist door zelfscholing”. Het levensgevoel, de leefregels zelfs, waar Reis van wil getuigen ligt in het verlengde van het epicurisme en de stoa: “Sereen en 't leven ziend / Op de afstand waar het is”.
Tot 1923 weet Reis zijn kalme, gedistantieerde houding te bewaren, die lijkt op de onverschilligheid van de goden ten opzichte van de mensen: de goden zijn “kalm en helder, / Vol van eeuwigheid / En minachting voor ons”.
Daarna dringt zich meer emotie en melancholie in zijn werk op, de gedichten worden korter en reageren heftiger op het feit dat het leven, volgens Reis, in een ommezien voorbijgaat, dat niets beklijft en alles niets is: “Wij zijn niets van waarde / En dat meer dan vergeefs”. “Kort de dag, en kort het jaar, kort alles”. “Niets blijft van niets over. Wij zijn niets”.
Deze poëzie heeft een neiging tot spreukmatigheid, het Prediker-gevoel lokt die vanzelf uit, maar de vasthoudendheid en de variatie waarmee Reis zijn wereldbeschouwing ontvouwt, maken grote indruk. Zijn adviezen om niet te hopen, niet te verwachten, niet te denken, je lot gelaten te dragen, komen altijd ook neer op de poging in het heden te leven: “Vervul je heden, zonder wachten“. “Bestem je niet, want je bent niet toekomstig”.
De broer van Ricardo, ook aan Pessoa's geest ontsproten, vond dat hij een ’triest epicurisme’ vertegenwoordigde.
Inderdaad is het menselijk bestaan in Reis' visie tot niets anders bestemd dan de dood, waarvan de aanwezigheid al louter in het durend verstrijken van de tijd voelbaar is:
Waarlijk wijs hij die niet vinden wil,
Hij die de afgrond ziet in alle dingen
En twijfelt in zichzelf.
En ergens anders:
Gelukkig is het dier dat, naamloos voor
Zichzelf, graast op de weiden en dat naar
De dood gaat als naar huis.
Eindeloos valt er uit deze levensbeschouwelijke poëzie te citeren en er moet voor Pessoa veel noodzaak zijn geweest om via zijn heteroniem zich van Reis' houding te laten overtuigen. Zijn angsten bezwoor hij ermee, of liever gezegd: zijn angsten werden in deze gedichten in een strakke vorm en op een gelaten toon gedresseerd. Hoe schitterend is dat gelukt in dit korte gedicht uit 1930:
Mij lieten, op de wereld heel alleen,
De Goden, die beschikken.
Ik kan niets tegen hen: wat zij mij gaven
Aanvaard ik zonder meer.
Zo buigt het graan, en als de wind gaat liggen
Richt het zich weer op.