Terug

Met een vloot van woorden naar zee

Kees Fens
Volkskrant 16 juni 2006


De Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935) was een viervuldigheid. Behalve door zichzelf werd hij door drie andere dichters bewoond: Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos. Hijzelf noemde de drie dichters ‘heteroniemen’. Elke dichter is een ander van zichzelf, vier ‘anderen’ is uniek en ook niet voorstelbaar. Vier anderen, vier verschillenden, maar toch ook reacties op elkaar Men kan de drie geen scheppingen van de ‘hoofddichter’ noemen, zelfs geen afsplitsingen. Ze zijn onafhankelijk van Pessoa en van elkaar. Hun ‘heteronimiteit’ houdt hen bijeen. Zonder dat zouden zij onherkenbaar, dat wil zeggen zelfstandig zijn.
Misschien is Álvaro de Campos wel de grootste zelfstandige. Hij, van beroep ingenieur, dichtte tussen 1913 en 1922; daarna zweeg hij. In een heel bijzonder gedicht kunnen wij zijn treffen en omgaan met de dood lezen. Van de vier neemt De Campos de meeste plaats in; niet alleen door de omvang van zijn werk, maar vooral door zijn hang naar onbegrensdheid, naar vereenzelviging met alles, naar reizen, naar weg zijn.
Voor een Nederlandse poëzielezer, gewend aan de beperkte ruimte van de dichterziel, die hoogstens beelden vindt in de directe omgeving, is hij in zijn ruimtedrang, in zijn bijna de kosmos vullende taal ook, vermoeiend: op elke pagina vaart een vloot van woorden uit naar de zee, waarop hij, De Campos, een schitterende ode schreef. (De Nederlandse dichter die ook de ruimte neemt, is Slauerhoff; bij lezing van De Campos moest ik soms even aan hem denken.) De Nederlandse poëzie staat in haar kleine ruimte stil, die van De Campos beweegt en verstilt maar een enkele keer (en is dan superieur).
Voor de grote beweging heeft het gedicht lange regels nodig; alleen daarbinnen kan het golven. In het tweede deel van de gedichten, dat ‘De sensationistische ingenieur’ heet en geschreven werd tussen 1914 en 1922, is een aantal gedichten, oden van een haast onstuimig karakter, in lange bewegende regels geschreven.. De woorden volgen elkaar in een hoog tempo op, misschien het hoogst in het gedicht ‘Groet aan Walt Whitman’, dat ik een hoogtepunt in de bundel vind. De Campos nam het grootse ritme van Whitman over, diens lange versregels en vooral diens expansie in de ruimte.
‘De groet’ is een grote liefdesverklaring en schitterende vergroting van de dichtergestalte. Als de geliefde is Whitman alles. De grote opsomming die het gedicht is (De Campos is de meester van de opsommingen) lijkt nog onvoldoende. Een overstromende litanie, die niet lijkt op te houden, is het gedicht ook. De tweede strofe begint zo (van toon en taal van andere gedichten krijgt men hier ook een goede indruk):
Zanger van de woeste en tedere broederschap met alles,
Grote epidermale democraat, aan alles grenzend in lichaam en ziel.
Carnaval van alle daden, bacchanaal van alle plannen,
Tweelingbroer van alle bevliegingen,
Jean-Jacques Rousseau van de wereld die machines voort zou brengen,
Homerus van het insaissisable van de vleselijke golving,

Er volgen nog enkele aanroepingen en deze reeks sluit dan af met de regels: ‘Poort van het hele Universum,/ Hoer van alle zonnestelsels, flikker van God!’ Eindpunt en beginpunt voor de volgende even vitale opsomming: een omschrijving van de kleine ik, tegenover alles dat Whitman is. Benamingen van de alomtegenwoordige die hij ook is, volgen in de tweede reeks. Naast ‘Grote bastaard van Apollo’ is deze aanroep misschien wel de mooiste: ‘Naam in alle adressen’.
Het alles in alles – daar gaat het in veel gedichten van De Campos om. Vaak zijn gedichten pogingen tot uitbreidingen van de dichter, in de ruimte, in de tijd. Schepen en varen en verre streken spelen daarin een belangrijke rol. De hang naar uitbreiding en vergroting is meer dan een verlangen naar een bijna goddelijke alomtegenwoordigheid (Whitman die alles is, is goddelijk).
De kenner en vertaler August Willemsen ziet in het werk van De Campos een neo-platonisme aanwezig, een uitvloeisel van het Pessoa beheersende symbolisme. Terecht, dunkt mij: de uitbreiding in ruimte en tijd is ook het vinden van beelden van zichzelf en zo van een grote eenheid achter alles. De ‘Groet aan Walt Whitman’ laat ook zien dat alle woorden poëzie kunnen worden. De versmelting van moderne en emotionele elementen noemde Pessoa ‘sensationisme’. De Campos liet hij die beoefenen, in een ongeremdheid zonder weerga.

Het eerste, kleinere gedeelte van de bundel heet ‘De dichter van de decadentie’. De poëzie ervan is geserreerder, er staan zelfs enkele schitterende sonnetten in, de taal is eenvoudiger, hoewel allerminst traditioneel: in de gedichten worden, in de beschrijvingen van machines, radarwerken, locomotieven en andere technische zaken, trekken van het futurisme zichtbaar. De triomf van de motor! Het machinepark (mooi woord) als de nieuwe flora. Bijna alle machinale beweging hangt samen met het reizen. Het tweede gedicht heet ‘Reis’ en het begint met deze moeilijk te vergeten strofe:
Een droom dromen is een andere verliezen. Loom
Zie ik de brug, log en stabiel…
Elke droom is het bestaan van een andere droom,
O eeuwig verbannene in uzelf, o mijn ziel!

We lezen hier de eerste twee van de ontelbare “O’s” van De Campos’ poëzie. Er wordt wat aangeroepen en uitgeroepen, in opwinding, maar ook, zeker in het eerste deel van de bundel, in pijn . De dichter weet met zichzelf geen raad – ‘Ik ben dit lichaam moe’ –, evenmin met zijn poëzie – ‘Klote’ – en met de wereld om zich heen. Een subliem sonnet begint met deze strofe:
Goden, geloof, wetenschap, algebra…
Verklaringen! En geen verklaart mij wat…
Ik zit hier op de kade, op een vat,
En ik begrijp niet meer dan als ik sta.

Het ongenoegen met het bestaan krijgt gestalte in het verslag van een bootreis, een lang gedicht in vierregelige strofen, dat ook een scherp beeld geeft van de verveling aan boord Opium is de enige troost van de dichter. In het erop volgende, lange gedicht ‘Carnaval’ wordt de wereld ontmaskerd.

In het genoemde tweede deel zijn de trekken van het futurisme het sterkst aanwezig in de ‘Triomf-orde’, waarin de moderne wereld en de moderne stad worden opgeroepen en bemind in een overvloed van techniek, van kabels tot ijzerplaten. De overdrijving – De Campos niet helemaal vreemd – bereikt een hoogtepunt in wat ik nu maar een machinaal orgasme noem:
Ik zou door een motor vermalen kunnen sterven
Met het gevoel van verrukkelijke overgave van een vrouw die wordt bezeten
Gooi mij in de ovens!
Leg mij onder de treinen!
Gesel mij aan boord van schepen!
Masochisme door machinerieën!
Sadisme van ik weet niet welk moderns en ik zelf en lawaai!
Dat is de verbeelding van een gietijzeren triomfboog!

Misschien geeft de dichter ons te weinig pauzes en verstilling, zoals hij dat weergaloos doet in een fragment van een ode die over de nacht gaat. Het is het verfijndste gedicht uit de bundel. De ode begint zo: ‘Kom, o Nacht, aloud en immer eender,/ Nacht, onttroond geboren Koningin,/ Nacht, gelijk inwendig aan de stilte, Nacht/ Met klatergouden sterren snel verschietend/ In uw kleed met franjen van Oneindigheid’. ‘Kom Nacht en wis mij uit’, staat er elders.

In de lange oden herkende ik het ongemak dat ik ook uit de lezing van Claudes zeer lange oden ken: de gedichten zijn te groot voor het geheugen. Ze vallen daardoor uiteen. Men leest ten slotte fragmenten. Die zijn net groot genoeg voor onze geest. Maar welke schittering vaak.
August Willemsen maakte de vertaling, hij schreef ook het Nawoord bij dit zoveelste deel van het oeuvre van de dichter en brievenschrijver Pessoa , die ook als De Campos groot is als dichter en minnaar. Van alles.

   Terug   naar boven