De dichter wendt slechts voor.
Hij veinst zo door en door
Dat hij zelfs voorwendt pijn te zijn
Zijn werkelijk gevoelde pijn.
En zij die lezen wat hij schreef,
Voelen in de gelezen pijn
Niet de twee die hij geleden heeft
Maar een die de hunne niet kan zijn.
En zo rijdt op zijn rails in 't rond,
Tot vermaak van onze rede,
Die opwindtrein, in dichtermond
ook wel "het hart" geheten.
vertaling van August Willemsen
Dit gedicht is in het engels op 15 verschillende manieren vertaald
Op de BBC poëziepagina heel
mooi weergegeven.
schrijf je eigen autopsychografie gedicht
De dichter is een veinzer van nature,
zo volledig wil diens veinzen zijn,
dat de pijn die hij moet verduren,
geworden is tot werkelijke pijn.
En zij die zijn schrijven lezen,
voelen zijn beschreven pijn,
niet die hij heeft doorleefd in wezen,
die pijn zal enkel van hem zijn.
En waarlijk in het spoor van zijn ronde,
wendt de afleiding het verstand,
doorgaans als woordvoerder verbonden,
als opwinding in het hart beland.
vertaling van G. Sleeuwits
opmerking vertaler:
Het is een beschrijving van dichters die "lijden" tijdens het dichten en iedere dichter beleeft daarnaast zijn leven.
het 2e deel spreekt voor zich.
Ik denk dat Pessoa in het 3e deel aan het eind bedoelde dat de dichters door voortdurend denken, wikken en wegen enz. een kunstzinnig gedicht/verhaal hebben kunnen toevoegen aan zijn en ons bestaan. (in het hart beland)
O kerkklok van mijn dorp
Klaaglijk in de kalme namiddag,
Tot binnen in mijn ziel weerklinkt
Je elke en iedere klepelslag.
en zo langzaam is je luiden,
Zo bijna triest van dit leven,
Dat je eerste slag zelfs lijkt
Reeds eerder te zijn gegeven
Al luidt je ook nog zo nabij
Wanneer ik langsloop, dwalend immer,
Je bent als een droom voor mij.
Je klinkt in mijn ziel van ginder.
Bij elke slag van jou in mij,
Trillend in de open hemel,
Voel ik verder het verleden,
Voel ik verlangen dichterbij
O kerkklok van mijn dorp
Klaaglijk in de kalme namiddag,
Tot binnen in mijn ziel weerklinkt
Je elke en iedere klepelslag.
en zo langzaam is je luiden,
Zo bijna triest van dit leven,
Dat je eerste slag zelfs lijkt
Reeds eerder te zijn gegeven
Al luidt je ook nog zo nabij
Wanneer ik langsloop, dwalend immer,
Je bent als een droom voor mij.
Je klinkt in mijn ziel van ginder.
Bij elke slag van jou in mij,
Trillend in de open hemel,
Voel ik verder het verleden,
Voel ik verlangen dichterbij
Vandaag, de middag rustig en de hemel stil,
En nu de avond valt zonder dat ik het merk,
Wil ik mijzelf beschouwen, mijzelf en mijn werk,
En zien dat wat ik ben, en wat ik zeggen wil.
Ik kijk terug en zie mijn verleden
Dat ik degeen was die was wat rondom mij was,
Behalve wat het vaag en onbekend begeren
Mijzelf te zijn mij van mijzelf mij gaf.
Als over reeds herlezen regels buig ik
Mijn aandacht over wie ik was van mij,
En niets in mij, 't is waar, herberg ik
Dan hunkering, zonder begin of eind.
Als reizend door een land zonder verwantschap
Ging ik langs twee parallelle wegen.
Volgde de wereld, deel van 't landschap;
Volgde mijzelf, niet ziend, zonder geheugen.
En ik, tot hier gekomen, ik erken
Dat ik verscheiden ben in vormlossheid.
'k Ontmoet mijzelf waarheen mijn weg mij leidt.
Herken niet wie ik was in wie ik heden ben.
Ben ik misschien - niets is onmogelijk -
Meer wezens uit andere werelden,
En op dit punt, tastbaar en ruimtelijk,
Mijzelf omdat ik hier, niet elders ben?
Ben ik misschien - want als ik in mijn denken
Alles bevatten kan, kan ook dat wezen -
Een langgerekt en mompelend moment
Van wezens-tijd waarvan ik ben het leven?
(1.8.1931)
Neem mij in uw armen, o eeuwige nacht,
En noem mij – koning die ik ben – uw zoon.
Vrijwillig deed ik afstand van mijn troon
Van dromen, die mij slechts vermoeidheid bracht
Mijn zwaard, mijn armen zijn ontkracht,
een kalme, mannelijke hand heeft het genomen;
Mijn scepter heb ik neergelegd, mijn kroon,
Versplinterde symbolen vroeger macht.
Mijn maliënkolder, nu zo nutteloos,
Mijn sporen, rinkelend en waardeloos,
Heb ik achtergelaten op de koude trap.
’k Ontdeed mij, ziel en lichaam, van mijn koningschap
En keerde terug tot de aloude en kalme nacht
Gelijk het landschap bij het sterven van de dag.
O zee van tranen, o zoute zee,
Hoe vervuld zijn je golven van Portugals wee!
Hoeveel moeders hebben om de oversteek geleden,
Hoeveel zonen hebben tevergeefs gebeden!
Hoeveel bruiden die nimmer trouwden,
O zee, om jou voor ons te behouden.
Was dit het waard? Alles heeft waarde
Zolang de ziel zich geen grootheid bespaarde.
Wie Bojador voorbij wil varen
Moet zich wagen voorbij de pijn.
God gaf de zee haar diepte en gevaren,
Maar liet haar de spiegel der hemelen zijn.
God wil, de mens droomt, en het werk is daar.
God wilde dat de aarde één was, een geheel
Dat door de zee vereend zou zijn en niet verdeeld.
Hij wijdde u, en gij ontsloot de evenaar,
De schuimrand schoof van land naar continent
En vloog, oplichtende, de wereldzeeën over,
En toen zag men de aarde, rond en onbekend,
Vanuit het diep azuur verrijzen, als betoverd.
Hij die u wijdde schiep u Portugees.
De zee én ons heeft Hij in u omlijnd.
De Zeeën zijn voltooid, het Rijk is eens geweest.
O Heer, slecht Portugal dient nog voleind!
Als bode van een onbekende koning
Volbreng ik vage opdarchten van hogerhand.
Mij klinken zonderling, zonder verband,
De plotse woorden die mij op de lippen komen...
Ik splits mij, in mijn onbewuste regionen,
In die ik ben, en die ik ben als afgezant,
En mijns Konings glorie maakt mij onverwant
Aan 't aardse volk waartussen ik moet wonen...
Ik weet niet of de Koning die mij stuurt bestaat.
Mijn zending hier zal zijn haar te vergeten,
Mijn hoogmoed de woestijn waaruit mijn ik bestaat...
En toch! Ik voel mij hoge overlevering
Van voor de tijd en ruimte en zijn en leven...
Ooit hebben mijn gevoelens God gezien...
Hoe lang is gisteren voorbij! 't Verleden
Blijft op een eindeloze afstand staan
Vervlogen dingen, lang en kort geleden,
Al even onherstelbaar hiervandaan.
Oneindig ver verwijderd is van hier
Wat eenmaal tot een Heden worden moet,
Zoals de golf aanrolt in de rivier,
Niet ons bereikt, maar opgaat in de vloed.
Want dat is Tijd, die tijdloos door blijft lopen
En eender heerst over elks eigen lot,
Die een gebroken zon niet vrij kan kopen
Noch door een nieuwe datum wordt bedot.
Want dat is Tijd, die 't hart ten grave leidt
met enkel dat en angst als zekerheid.
O nietsdoen en daar ook nog van genieten!
Maar ik voel in mijn nietsdoen niets dan haat;
Niet van plan in valse stress te schieten,
Steeds blijven dromen van een nieuwe daad.
Gelijk een in zijn hol gevangen beest
Houdt mijn bezeten wil zich in bedwang.
Nietsdoen tart alle wanhoop van de geest,
Verstrooid als die juist raakt door dadendrang.
Zoals wie in gevaarlijk drijfzand glijdt,
Juist wegzakt als hij zich te redden tracht;
Niets baat de strijd, en ook ligt lijdzaamheid,
Slechts trager zinloos, niet in onze macht.
Zo leef ik dag na dag het dode leven,
Elkde dag strevend naar een volgend streven.