Heb niets in je handen, noch
Een herinnering in de ziel,
Dan zal, wanneer de laatste obool
Men je in de handen legt,
En men je handen openvouwt
Niets je ontvallen.
Welke troon wil men je geven
Die Atropos je niet ontneemt?
Welke lauweren die niet welken
Onder Minos' oordeel?
Welke uren die ook jou niet
Maken tot de schaduw
Die je zijn zult als je gaat
De nacht in en naar 't einde van de weg.
Pluk de bloemen maar laat ze
Los eer je ze hebt bezien.
Ga zitten in de zon. Doe afstand
En wees koning van jezelf.
Engelen of goden, altijd hebben wij
Het troebel visioen gehad dat boven ons
En ons bestierend
Andere wezens handelen.
Zoals boven de kudden op de weiden
Ons kunnen, dat zij niet begrijpen,
Hen dwingt en prest
En zij ons niet bemerken
Zo zijn ons denken, onze wil,
De handen waaraan anderen ons leiden
Naar waar zij willen
En wij niet wensen
In ons leven tallozen;
Ik weet niet, als ik denk
Of voel, wie denkt of voelt.
Ik ben de plaats slechts waar
Gevoeld wordt of gedacht.
Ik heb meer dan één ziel,
Meer ikken dan ikzelf.
En niettemin besta ik,
Voor allen onverschillig.
Ik maak hen stil: ik spreek.
De kruisgewijze impulsen
Van wat ik voel of niet voel,
Twisten in wie ik ben.
Ik ken ze niet. Zij zwijgen
Tot wie ik mij ken: ik schrijf.