Het is niet zo eenvoudig om de periode van het symbolisme in de tijd af te bakenen.
De grote verschillen, maar tegelijkertijd ook de grote overeenkomsten zorgen er bovendien voor dat de term ‘symbolisme’ even moeilijk te bepalen is.
De tendens bestaat zelfs om het symbolisme te beschouwen als een toespitsing van de romantiek.
Toch bestaan er wezenlijke verschillen tussen beide stromingen.
De inspiratie of het spontane moment bijvoorbeeld dat voor de romantische poëzie zo belangrijk was, moet in het symbolisme plaats maken voor de bewuste wil van de kunstenaar.
Verbeelding en fantasie zijn niet langer primitief-creatief in te vullen, maar wetenschappelijk.
Ondanks het definitieprobleem staat vast dat het symbolisme, vooral in Frankrijk vanaf de jaren vijftig van de negentiende eeuw, een heel nieuwe en specifieke poëzieopvatting met zich meebracht.
De Franse dichters vinden dat enkel in de dichterlijke ervaring de ideële, transcendente wereld achter de materiële wereld kenbaar wordt.
Ook in de Nederlandse letterkunde is de symbolist een idealist voor wie de eigenlijke werkelijkheid van geestelijke aard is.
Een ander kenmerk dat veel symbolisten verenigt, is het belang dat zij hechten aan het theoretiseren.
In veel gevallen wordt de poëzie zeer bewust begeleid door theorie, zowel in poëticale geschriften als in de poëzie zelf.
Dat betekent echter niet dat de dichter bij het scheppingsproces vertrekt vanuit een vaststaande vorm zoals het sonnet, maar de vorm van het gedicht laat leiden door de woorden.
Die woorden worden dan weer gestuurd door de sterk controlerende verbeelding.
Het symbool speelt hierbij een belangrijke rol.
Het staat niet alleen in voor de techniek van de dichterlijke expressie, maar is ook voorwaarde tot haar bevrijding en autonomie.
Dat hoogst persoonlijke symboolgebruik leidt vaak tot erg hermetische poëzie.
Het symbolistische symbool geeft op indirecte wijze informatie die niet eenvoudig en eenduidig te interpreteren is.
Doel van het symbool is in de eerste plaats: suggereren.
Dat leidt ook tot het ontstaan van een nieuwe taal, zowel op syntactisch als op semantisch gebied.
De dichter wil immers emoties uitdrukken met woorden die niet meteen naar de werkelijkheid verwijzen, om zo dicht mogelijk het idee van muziek achter het vers te creëren.
Hij wil door middel van klanken bij de lezer iets oproepen, en veel minder iets uitbeelden of zichtbaar maken.
Het ritme dat daardoor ontstaat is de essentie van het vrije vers dat kenmerkend is voor het symbolisme.